Prijsbewimpeling: onwetende partijen hoeven geen aanvullende verkooprechten te betalen

28 april 2017
Teaser: 

Om de verkooprechten bij aankoop van een woning te drukken, durven sommige kopers daarom wel al eens inventief uit de hoek komen. In vaktermen noemen we dat ‘prijsbewimpeling’. Maar wat als een van de (ver)kopers geen weet heeft van de prijsbewimpeling? Kan de fiscus de verschuldigde aanvullende verkooprechten dan ook van die partij opeisen? Dat is op zich niet vanzelfsprekend aangezien deze partijen strafrechtelijk geen schuld kan worden toegemeten. Het Grondwettelijk Hof heeft zich hierover recent uitgesproken.

De zaak had betrekking op een verkoop van twee percelen die deel uitmaakten van één domein door vier verkopers (2 koppels, elk eigenaar van één perceel) aan twee kopers die het gezamenlijk aankochten via één enkele notariële akte.

Één van de verkopers en de twee kopers werden door de Correctionele Rechtbank veroordeeld voor prijsbewimpeling. De andere partijen waren er niet van op de hoogte dat een deel van de prijs “in het zwart” werd betaald en gingen dus vrijuit.

Dwangbevel tegen alle kopers en verkopers
Toch vaardigde de ontvanger van het registratiekantoor een dwangbevel wegens bewimpeling van de prijs uit tegen alle partijen bij de akte, kopers en verkopers. De ontvanger paste daarbij art. 203 van het Wetboek Registratierechten (Waals Gewest) toe. Dat artikel bevat de specifieke regeling inzake prijsbewimpeling en bepaalt dat elk van de "contracterende partijen een boete verschuldigd is gelijk aan het ontdoken recht". Daarbovenop zijn de ontdoken rechten zelf (naast de boete) ondeelbaar verschuldigd door alle partijen betrokken bij de verkoopakte.

Vermoeden van onschuld
De Rechtbank van Eerste Aanleg te Bergen deed de boete echter teniet voor de partijen die niet op de hoogte waren van de prijsbewimpeling. De boete is van strafrechtelijke aard en kan dus niet zomaar worden opgelegd aan een partij waarvan de schuld strafrechtelijk niet vaststaat. Dit strookt niet met het persoonlijk karakter van straffen en met het vermoeden van onschuld. Enkel de partijen die wegens bewimpeling van de prijs zijn veroordeeld moeten dus de geldboete betalen.

Wat met de verschuldigde aanvullende rechten?
Wat echter met de verschuldigde aanvullende rechten? De Rechtbank van Eerste Aanleg te Bergen had het er moeilijk mee dat ook de onwetende partijen hiervoor aangesproken worden omdat er zo ‘geen correlatie bestaat tussen de strafrechtelijke veroordeling en de verplichting tot herstel’. De Rechtbank richtte zich daarom tot het Grondwettelijk Hof.

Dit Hof bevestigt dat er zich wel degelijk een probleem stelt. Het fiscaal gelijkheidsbeginsel is met name geschonden omdat personen die zich in een verschillende situatie bevinden gelijk worden behandeld. De onwetende verkopers zijn immers niet vervolgd, noch veroordeeld; dat kan niet gezegd worden over de andere betrokken personen. Desondanks worden beide partijen gezamenlijk aangesproken voor de aanvullende rechten. Art. 203 Wb. Reg. bevat geen redelijke verantwoording voor deze inbreuk op het fiscaal gelijkheidsbeginsel. ‘Hiermee raakt de in het geding zijnde bepaling een categorie van personen die, per hypothese, het slachtoffer is geweest van de frauduleuze gedraging van de andere categorie van personen, waarbij de in het geding zijnde bepaling haar hoofdelijk aansprakelijk stelt voor een schuld waarvan zij niet kan worden vrijgesteld, zelfs indien zij, als burgerlijke partij, de erkenning heeft kunnen verkrijgen van de schade die zij heeft geleden door de aangetoonde strafrechtelijke fout.’.

Belangrijk precedent
Omdat het slechts een antwoord op een prejudiciële vraag betreft, heeft de uitspraak an sich hoofdzakelijk relevantie voor het concrete dossier dat door de Rechtbank te Bergen wordt beslecht. Daartegenover staat echter dat de nieuwe interpretatie van het Grondwettelijk Hof een belangrijke precedentswaarde heeft, waarop in toekomstige procedures kan worden teruggevallen. De inhoud hiervan is duidelijk: onwetende partijen kunnen niet worden aangesproken voor de invordering van aanvullende rechten ten gevolge van prijsbewimpeling.

Aangezien dit artikel op vrijwel identieke wijze voorkomt in de Vlaamse (art. 3.4.7.0.6 & 3.18.0.0.14 VCF) en Brusselse regelgeving, moet het arrest op dezelfde manier geïnterpreteerd worden.

Grondwettelijk Hof dd. 22 september 2016.

Share: