Vastgoed in een burgerlijke maatschap: nieuwe beslissing VLABEL

07 november 2017
Teaser: 

De Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) blijft met de regelmaat van de klok nieuwe standpunten innemen, die belangrijke wendingen met zich mee kunnen brengen voor de vastgoedfiscaliteit. VLABEL kan sinds kort ook als rulingdienst optreden en bepaalde constructies aftoetsen. Zo heeft VLABEL zich recent uitgesproken over het onderbrengen van vastgoed in een burgerlijke maatschap.

De burgerlijke maatschap fungeert al langer als één van de instrumenten die in het kader van een successieplanning kunnen worden ingezet, en dit zowel voor roerend als voor onroerend vermogen.

Teruggebracht tot de essentie is een maatschap een vennootschap (met een burgerlijk doel of een handelsdoel) die geen rechtspersoonlijkheid bezit. Het gaat over een overeenkomst, waarbij een aantal personen iets in gemeenschap brengen, om daaruit rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te kunnen verkrijgen.

De formaliteiten verbonden aan de oprichting van een maatschap zijn minimaal. Er is geen authentieke akte vereist, enkel vrij door de partijen in te vullen statuten. Die statuten hoeven zelfs niet in het Staatsblad te worden gepubliceerd.

Successieplanning
De maatschap is een interessant gegeven voor successieplanning, aangezien de inbreng van vastgoed in een maatschap ook eigendomsoverdragend kan werken. De aan de maatschap participerende partijen (‘maten’) kunnen immers deelbewijzen verdelen, waardoor de maten bijvoorbeeld onverdeeld eigenaar kunnen worden van een goed dat door een partij in de maatschap is ingebracht. En, bij de ontbinding van de burgerlijke maatschap kunnen de goederen die in de maatschap zaten, worden toebedeeld aan één of meerdere partijen.

De partijen genieten tegelijkertijd bij de oprichting van een maatschap in een grote vrijheid bij het opstellen van de statuten. Het is daarbij perfect mogelijk om de controle vrijwel volledig bij de statutaire zaakvoerders te leggen. Dat is dan het mechanisme waarlangs de ouders vrijwel volledige zeggenschap over hun ingebrachte vermogen kunnen behouden, terwijl dit vermogen al voor een stuk of geheel overgedragen wordt aan de kinderen.

Fiscale elementen
Vraag is nu met welke fiscale elementen rekening moet worden gehouden bij het gebruik van een burgerlijke maatschap. Daar heeft VLABEL zich in 2017 in een ruling over moeten uitspreken. Hieronder wordt de beslissing van VLABEL geciteerd en kort toegelicht.

Wanneer de maten in de maatschap maatschappelijke rechten zullen verkrijgen in dezelfde verhouding als zij onverdeelde rechten hebben in de ingebrachte goederen, is er geen eigendomsoverdracht. In dat geval is er geen verkooprecht noch schenkbelasting verschuldigd op de inbreng.

Anders is het wanneer een maat eigendom of vruchtgebruik inbrengt in de maatschap, met de bedoeling dat deze rechten de onverdeelde eigendom zouden worden van de andere maten. In dat geval is er wel degelijk sprake van een eigendomsoverdragende handeling. De eigendomsoverdracht geschiedt namelijk ten bate van de andere maten en heeft betrekking op de door de inbrenger overgedragen onverdeelde delen in de betrokken goederen.

Het belangrijkste criterium om te bepalen of er bij de inbreng van een onroerend goed in een maatschap verkooprechten of schenkbelasting verschuldigd is, betreft de vergelijking tussen de eigendomssituatie voor en na de inbreng. Als die situatie de facto onveranderd is, zullen er fiscaal geen consequenties zijn. Een goed voorbeeld hier is het scenario waarbij twee echtgenoten hun onverdeelde eigendommen in een maatschap inbrengen (beide echtgenoten eigenaar van 50%) en de deelbewijzen in de maatschap evenzeer voorzien in een gelijkwaardige onverdeeldheid (elk 50%). Hier verandert niets aan het eigendomsstatuut, waardoor het fiscaal gezien om een nuloperatie gaat.

Een tegenvoorbeeld is het scenario waarbij één echtgenoot een goed in zijn/haar bezit (100% eigendom) inbrengt in een maatschap, waarbij de deelbewijzen van die maatschap voorzien in een onverdeeldheid tussen de maten. Hier is er wel sprake van een verandering van het eigendomsstatuut, wat volgens VLABEL impliceert dat er registratiebelastingen verschuldigd zijn. Let wel, wanneer de maatschap echtgenoten verenigt, zal het niet gaan om het verkooprecht. Een verkoop van onroerend goed tussen echtgenoten is immers niet mogelijk en zal steeds nietig zijn. Hier gaat het dus om schenkbelasting. Gebeurt de impliciete eigendomsoverdracht tussen andere partijen dan echtgenoten, dan zullen er verkooprechten verschuldigd zijn.

De maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid en kan geen titularis zijn van rechten. Het zijn de maten die titularis blijven van de door hen ingebrachte rechten. Door de ontbinding van de maatschap heeft er dus geen eigendomsoverdracht plaats. De maten blijven titularis van de zakelijke rechten die ze bezaten tijdens het bestaan van de maatschap.

Als één van de maten, na de ontbinding van de maatschap, een onverdeeld onroerend goed volledig naar zich toe zal willen trekken, dan zal hierop, naar gelang van het geval, het verdeelrecht of het verkooprecht verschuldigd zijn.

Fiscale gevolgen
Bij de ontbinding kunnen de in de maatschap vervatte onroerende goederen toegewezen worden op een wijze waarover de partijen zich vrij kunnen uitspreken. Wat de fiscale gevolgen betreft, zal men opnieuw moeten kijken naar de mate waarin de eigendomssituatie al dan niet is veranderd. Worden onverdeelde goederen in de maatschap bijvoorbeeld na de ontbinding evenzeer in onverdeeldheid aangehouden door de partijen, dan zullen er geen registratiebelastingen verschuldigd zijn. Dat is wel het geval wanneer een onverdeeld goed aan één partij in volle eigendom wordt toegewezen. In dat geval is volgens VLABEL ofwel het verdeelrecht ofwel het verkooprecht van toepassing. Doorslaggevend element inzake welke belasting betaald moet worden is het statuut van de verkrijger en met name de vraag of deze wel (verkooprecht) of niet (verdeelrecht) het statuut heeft van derde-verkrijger bij overeenkomst.

Wanneer is iemand nu een derde-verkrijger bij overeenkomst? Volgens VLABEL (standpunt nr. 16006) gaat het hier om de deelgenoot die op grond van een overeenkomst tot de onverdeeldheid is toegetreden, waarbij die overeenkomst zijn enige titel van toetreding is en waarbij die titel verschilt van die van de andere deelgenoten.

Wanneer iemand tot de maatschap toetreedt en geen enkel ander recht of titel op het in de maatschap ingebrachte onroerend goed kan laten gelden dan deze die is verkregen via de toetreding, dan zal deze persoon beschouwd worden als een derde-verkrijger bij overeenkomst. Wanneer dan bij de ontbinding aan deze persoon een onverdeeld deel of de geheelheid van het goed wordt toegewezen, dan zal dus het verkooprecht van toepassing zijn. Nemen we het voorbeeld waarbij één echtgenoot een goed in zijn eigendom heeft ingebracht in de maatschap, bvb. een bouwgrond. De andere maat in de maatschap (bvb. de andere echtgenoot) heeft geen enkel ander recht op deze grond dan datgene dat is verkregen via de inbreng. De andere maat heeft dus enkel rechten op basis van de inbreng en heeft zo het statuut van derde-verkrijger. Wanneer het goed bij de ontbinding aan de andere maat wordt toegekend zal men dus rekening moeten houden met het verkooprecht.

Zo verduidelijkt VLABEL dat de facto in de overgrote meerderheid van de gevallen het verkooprecht zal gelden, aangezien het bij een successieplanning zelden zo zal zijn dat de begunstigde reeds een bepaald recht kan laten gelden op het vermogen in de maatschap.

Anders is het wanneer de echtgenoten een huis in onverdeeldheid inbrachten en dit huis bij de ontbinding aan één van hen in volle eigendom toewijzen. De begunstigde echtgenoot had reeds een recht op het huis en is dus geen derde-verkrijger bij overeenkomst. Het gaat hier de facto om een uitonverdeeldheidtreding, waarop het verdeelrecht verschuldigd is.

Wanneer nu de ouders of een van hen komt te overlijden, voor of na de ontbinding van de maatschap, behoren de rechten, die zij op de betrokken onroerende goederen bezitten, tot het onroerend actief van hun nalatenschap en zal er dienovereenkomstig erfbelasting worden geheven in hoofde van de erfgenamen. Als de kinderen, in hun hoedanigheid van mede-erfgenamen, vervolgens overgaan tot de verdeling van de onroerende goederen, zal hierop verdeelrecht verschuldigd zijn.

Bron: Voorafgaande beslissing nr. 17023 dd. 02 08 2017

Share: