Bovenop de huurprijs moet de huurder soms ‘kosten en lasten’ betalen. Waarop slaan deze ‘kosten en lasten’?

  • Kosten: nutsvoorzieningen, zoals water, gas en elektriciteit; de kosten voor het onderhoud van de gemeenschappelijke delen, …
  • Lasten: taksen en belastingen die verbonden zijn aan de woning, zoals de onroerende voorheffing, de rioleringstaks, de belasting op de oppervlaktewateren, …

Alle kosten en lasten, van welke aard ook, kunnen in de huurovereenkomst ten laste van de huurder worden gelegd, met uitzondering van de onroerende voorheffing die voor de verhuurder is.

Wordt er in de huurovereenkomst niet bepaald wie moet instaan voor de kosten en de lasten, dan gelden de volgende principes.

  • Kosten: ieder moet de prestaties betalen die hem ten goede komen. Zo moet de huurder instaan voor de kosten die verband houden met het gebruik van de woning  en die een objectief gebruiksgenot voor de huurder opleveren. De kosten om de woning geschikt te houden voor verhuur zijn ten laste van de verhuurder.
  • Lasten: de belastingen die op de eigendom van de woning slaan zijn ten laste van de verhuurder. De belastingen die betrekking hebben op het gebruik van de woning vallen ten laste van de huurder.

Voor de afrekening van de kosten en de lasten bestaan er twee systemen:

  • Er wordt maandelijks een forfaitair bedrag aangerekend.
  • Er wordt een afrekening gemaakt op basis van de werkelijke kosten en lasten. Op dat moment betaalt de huurder maandelijks een provisie. Daarna krijgt hij éénmaal per jaar een afrekening van de werkelijke uitgaven, samen met de bewijsstukken.

De huurder kan wel op elk moment de omzetting eisen van het systeem van forfaitaire kostenbetaling naar een systeem van kostenbetaling gebaseerd op de werkelijke uitgaven.