Nationaal register gerechtsdeskundigen: nieuwe wetswijziging en deontologische code

22 augustus 2017
Teaser: 

Sinds eind vorig jaar kunnen gerechtsdeskundigen zich registreren voor het nationaal register voor gerechtsdeskundigen (wet van 10 april 2014). Volgens minister van Justitie Koen Geens moet het register een “kwaliteitslabel” zijn dat de objectieve rol van deskundigen in rechtszaken waarborgt. In april werd een nieuwe wet goedgekeurd, die nog een aantal belangrijke wijzigingen heeft aangebracht. Bovendien werd ook de deontologische code voor de gerechtsdeskundigen vastgesteld. Zowel de wetswijziging als de code zijn op 10 juni 2017 in werking getreden.

Een wet van 10 april 2014 bepaalt dat er een nationaal register voor gerechtsdeskundigen wordt opgericht. Dat moest ten laatste gebeuren op 1 december 2016 en die datum werd ook gehaald, hoewel in eerste instantie nog enkele maanden via een tijdelijk overgangsregime moest worden gewerkt.

Het nationaal register heeft het doel een overzicht te bieden van de inzetbaarheid van gerechtsdeskundigen. Daarnaast wil men de kwaliteit verhogen inzake professionele vaardigheden en juridische kennis. Het nationaal register voor gerechtsdeskundigen heeft betrekking op alle deskundigen in burgerlijke en strafzaken.

Kwaliteitslabel
Sinds 25 november 2016 kunnen gerechtsdeskundigen zich registreren voor het nationaal register voor gerechtsdeskundigen. Volgens minister van Justitie Koen Geens moet het register een “kwaliteitslabel” zijn, dat de objectieve rol van deskundigen in rechtszaken waarborgt. Net daarom zijn in beginsel alleen de gerechtsdeskundigen, die in het register staan, nog gemachtigd om de titel van deskundige te voeren en opdrachten te aanvaarden. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank nog een deskundige aanduiden, die niet in het register is opgenomen.

Om in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen te kunnen worden opgenomen, moet men aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Natuurlijk persoon (geen rechtspersoon)
  • Onderdaan of  inwoner van een EU-lidstaat
  • Geen veroordeling tot correctionele of criminele straf
  • Beschikken over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis
  • Beschikken over toepasselijke relevante ervaring
  • Een eed afleggen

In een eerste fase (december 2016 – maart 2017) gebeurde de registratie in het tijdelijk nationaal register op basis van de overgangsbepalingen. Wie in het verleden reeds voor FOD Justitie gewerkt had, kon sinds 25 november 2016, een aanvraag tot registratie in het tijdelijk register indienen. Het indienen van een registratieaanvraag voor het tijdelijk register kon enkel via e-Deposit.

Sinds maart 2017 gebeurt de registratie op basis van de vereiste documenten in het definitief nationaal register. Nieuwe kandidaten, die nog niet voor justitie werkten voor 1 december 2016, kunnen zich sinds maart 2017 ook registreren.

Bij een registratie gaat een aanvaardingscommissie, bestaande uit magistraten, de FOD Justitie en experts, na of de deskundige aan de nodige voorwaarden inzake opleiding en ervaring voldoet. Wie toelating krijgt, komt terecht in het definitief nationaal register en krijgt een identificatienummer en legitimatiekaart.

Maar, op 19 april 2017 werd een nieuwe wet goedgekeurd, die nog een aantal belangrijke wijzigingen heeft aangebracht. Bovendien werd op 25 april 2017 de deontologische code voor de gerechtsdeskundigen vastgesteld. Zowel de wetswijziging als de code zijn op 10 juni 2017 in werking getreden.

Nieuwe wetswijziging

De nieuwe wetswijziging had voornamelijk tot doel om de kwaliteit van de ingeschreven gerechtsdeskundigen nog beter te bewaken. Daarvoor werden een heel aantal wijzigingen aangebracht aan de inschrijvingsvoorwaarden en –procedure. Zo kan een gerechtsdeskundige voortaan pas worden ingeschreven na het verplicht advies van de aanvaardingscommissie. Die zal controleren of het voorgelegde diploma toegang kan geven tot de beoogde specialisatie en of de aangegeven ervaring wel degelijk relevant is. Ook wordt onderzocht of de juridische kennis up to scratch is. Bovendien zal de minister van Justitie voortaan de moraliteit en de beroepsbekwaamheid van de kandidaat nagaan.

De kandidaat moet, sinds de inwerkingtreding van de wijzigingen op 10 juni 2017, ook verklaren dat hij /zij de deontologische code zal naleven (daarvoor moest er enkel met de code worden ingestemd). En, de kandidaat moet verklaren dat hij/zij zich zal bijscholen over de relevante aspecten van zijn deskundigheidsdomein en over de gerechtelijke procedures.
 

Beroepsbekwaamheid aantonen
Om de beroepsbekwaamheid aan te tonen moet de kandidaat een diploma, relevant voor de desbetreffende specialisatie, voorleggen en een bewijs leveren van 5 jaar relevante beroepservaring gedurende de voorbije 8 jaar. Nieuw is dat het ontbreken van een diploma gecompenseerd kan worden via extra ervaring (15 jaar gedurende de voorbije 20 jaar).

Opname verlengen
Een opname in het nationaal register is sinds 10 juni 2017 nog maar 6 jaar geldig. Maar, de inschrijving kan desgevallend wel telkens voor een periode van 6 jaar worden verlengd, wanneer dit door de gerechtsdeskundige wordt aangevraagd. Bij dergelijke verlengingsaanvraag moet de deskundige een lijst van de uitgevoerde opdrachten voorleggen (teneinde te vermijden dat er quasi-fictieve profielen in de lijst voorkomen), alsook een overzicht van de gevolgde vormingen.

Naast een schrapping uit het register, heeft de nieuwe wet ook de schorsing als potentiële sanctie ingevoerd, wanneer de gerechtsdeskundige afbreuk doet aan de waardigheid van de titel of tekortschiet in de uitvoering van zijn/haar opdracht.

Retributie
Voor het inschrijven in het nationaal register is sinds 10 juni 2017 een retributie verschuldigd.

Gerechtsdeskundigen, die al actief waren op 1 december 2016, hebben vijf jaar de tijd om zich in regel te stellen met de voorwaarden voor de opname in het register. Maar, de voorlopige opname op basis van de bestaande werkzaamheden is wel mogelijk. Daarbij zal dan wel steeds duidelijk vermeld staan dat het om een voorlopige opname gaat, wat mogelijks een rol kan spelen in de keuze van de aanstelling als gerechtsdeskundige.

  • Bron: Wet van 19 april 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register van beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken (BS 31 05 2017)

Deontologie voor gerechtsdeskundigen

Via het Koninklijk Besluit van 25 april 2017 werd de deontologie voor de gerechtsdeskundigen gevestigd. De Minister van Justitie erkende daarbij dat heel wat gerechtsdeskundigen al onderhevig zijn aan een plichtenleer, met name deze van de beroepsgroep waartoe ze behoren. Desalniettemin werd het belangrijk geacht om een aantal specifieke deontologische bepalingen scherp te stellen.

De deontologie bevestigt zo ten stelligste dat de gerechtsdeskundige gebonden is door een beroepsgeheim en dat zijn/haar eventuele medewerkers een discretieplicht in acht moeten nemen. Bovendien schrijft de plichtenleer voor dat de gerechtsdeskundige zijn/haar titel niet mag gebruiken om publiciteit te voeren of cliënteel aan te trekken. De titel mag slechts op discrete wijze gebruikt worden in briefhoofden, websites of andere identificatiedocumenten.

Verplichte vorming en bijscholing
De deontologie gaat daarnaast in op het aspect van de verplichte vorming en bijscholing. De deskundigen, die reeds vormingen volgen binnen het kader van hun eigen beroepsactiviteiten, kunnen desgevallend deze vormingen aanhalen. Voor hen volstaat het aantal uren voorgeschreven door hun Instituut, voor zover minstens een gedeelte van het programma betrekking heeft op het gerechtelijk deskundigenonderzoek en de materies van hun specialisatie. De gerechtsdeskundige moet zijn/haar burgerlijke aansprakelijkheid verzekeren.

Onverenigbaarheden
Het overgrote deel van de deontologie gaat echter over onverenigbaarheden. Zo is het evident dat een gerechtsdeskundige een aanstelling moet weigeren, wanneer hij/zij er van op de hoogte is dat er een wrakingsgrond bestaat. Een gerechtsdeskundige kan ook niet optreden wanneer hij/zij eerder is tussengekomen in dezelfde zaak in een andere hoedanigheid of wanneer er financiële of familiale banden zijn. Bovendien moet een gerechtsdeskundige wijzen op alle elementen, die eventueel twijfels kunnen doen rijzen over zijn/haar onafhankelijkheid.

  • Bron: Koninklijk Besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek

 

Share: